Entree

Waarschijnlijk ben ik ooit begonnen met verhalen schrijven omdat ik typen zo geinig vond als zesjarige. Tenminste, ik kan me herinneren dat ik toentertijd iets over een brandweerman heb getypt, een verhaal dat helaas verloren is gegaan. Niettemin is het weer verdwenen, mijn jeugdige literaire aspiratie. Pas op de middelbare school, door mijn bemoeienissen met de schoolkrant en goeie vrienden, kwam het weer omhoog en begon ik met een reeks verhaaltjes waarvan de meeste hier te lezen zijn.

De verhalen zijn bijna allemaal eigenlijk monologen. Interne monologen zelfs. Feitelijk wordt slechts een korte periode van een denkproces omschreven. In de verhalen waarin dit niet het geval is gebeurt nog minder, wordt eigenlijk alleen een situatie omschreven. Mijn verhaaltjes lijken wat dat betreft een beetje op gedichten. Een belangrijk onderscheid tussen verhalen en gedichten is dat een verhaal meestal een periode in de tijd volgt en een gedicht een punt in de tijd beschrijft. Hetzelfde verschil als dat tussen respectievelijk film en foto. En net zo goed als er gedichten zijn die 'verhalend' zijn, zijn mijn verhalen 'dichtend'.

Op een kwaad moment ben ik begonnen met de roman, 'Regen'. Prompt stopte de productie van verhaaltjes, maar de stijl uit de verhalen is wel terug te vinden in 'Regen'. Hoewel het verhaal twee weken beschrijft gebeurt er eigenlijk niets en wordt veel tekst besteed aan het denken van de hoofdpersoon.

Na het voltooien van 'Regen' stortte ik mij op het schrijven van liedteksten (zie bij 'liedjes'). De tweede roman 'Geluk, liefde, waarheid en leven' is echter in de maak.

regen

V. wil opschrijven wat er in zijn jeugd is gebeurd, om zo van het machteloze gevoel af te komen dat hij al jaren met zich meedraagt. Zijn vader heeft zijn moeder verlaten nog voor hij geboren was en hij heeft zijn moeder altijd verdrietig gezien. Hiervoor heeft hij een dorp uitgekozen waar hij op zijn gemak en in alle rust aan het werk kan.

Hij neemt zijn intrek in het hotel dat gerund wordt door de mooie jonge Judith. Met haar raakt hij in gesprek en langzamerhand wordt hierdoor duidelijk dat niet zijn moeder zijn vader heeft gehaat, wat hij altijd heeft gedacht, maar hijzelf. Dit verandert zijn verhaal zo, dat hij heel veel opnieuw moet overdenken.

Aangezien het sinds zijn aankomst in het dorp regent en voor V. de beste manier om na te denken wandelen is lukt het niet om zijn verhaal te schrijven. De haat wordt steeds groter en wordt geprojecteerd op de regen. Zeker wanneer hij er achter komt dat het in het dorp altijd regent, sedert zeven jaar. Toen zijn er gemeenteraadsverkiezingen geweest en via oneerlijke weg is het een bepaalde minderheid gelukt dit onzalige plan aangenomen te krijgen.

V. besluit weer naar huis te gaan, maar Judith houdt hem tegen. Zij stelt voor om, als hij de ene haat niet kan verdrijven, dit via een omweg, het verdrijven van een andere haat, te proberen.

Zo begint V's strijd tegen de regen. Hij gaat naar de provincie, naar de oppositie van weleer, naar de burgemeester, maar overal vindt hij apathie, acceptatie, berusting of onbegrip. Als laatste gaat hij naar de regenhonden, een groep grote, enge mannen die ervoor waken dat de regen blijft vallen. Ook hier moet V. onverrichterzake vertrekken.

Inmiddels is er iets opgebloeid tussen V. en Judith en als alles mislukt is besluiten ze dat Judith met V. mee zal gaan, het dorp verlaten. Maar zogauw dit is afgesproken komen bij V. twijfels en later ziet hij er weer vanaf, omdat hij bang is dat hij Judith, net zoals zijn vader bij zijn moeder heeft gedaan, ongelukkig zal maken.

Totaal gedesillusioneerd gaat V. nog een laatste gevecht met de regen aan, door te proberen rechtop en fier buiten te lopen, maar ook dit verliest hij.

Zonder iets bereikt te hebben en met meer vervelend verleden in zijn hoofd vertrekt V. weer uit het dorp.